ECLI:NL:CRVB:2006:AU9376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens ontbreken van objectief vastgestelde arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen die een WAO-uitkering aan gedaagde had toegekend. Gedaagde werd de uitkering geweigerd omdat het verzuim volgens het bestreden besluit geen verband hield met ziekte of gebrek.
De rechtbank had gedaagde laten onderzoeken door een reumatoloog en een internist, die concludeerden dat het klachtenpatroon van gedaagde medisch geobjectiveerd was en dat sprake was van chronisch vermoeidheidssyndroom, wat tot arbeidsbeperkingen leidde. De rechtbank oordeelde dat het besluit van het Uwv onvoldoende was onderzocht en vernietigde dit besluit.
De Centrale Raad van Beroep stelt dat volgens vaste rechtspraak arbeidsongeschiktheid alleen kan worden aangenomen indien op objectieve medische gronden een beperking bestaat die het verrichten van arbeid verhindert. Uit het medisch dossier en de rapporten blijkt dat geen objectieve afwijkingen zijn vastgesteld die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. De diagnoses zijn gebaseerd op subjectieve klachten zonder objectieve medische bevindingen.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit juist is en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het besluit van 7 maart 2002 betreft. Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt geweigerd omdat geen objectief vastgestelde arbeidsongeschiktheid is aangetoond.