ECLI:NL:CRVB:2006:AU9323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAZ-uitkering ondanks lange voorlopige periode en Duitse rente
Appellant, een zelfstandig c.v.-monteur met arbeidsongeschiktheid, ontving vanaf 1996 een voorlopige AAW-uitkering die later werd omgezet in een WAZ-uitkering. Na een Duitse toekenning van een Berufsunfähigkeitsrente per 1 augustus 1996, stelde het UWV de WAZ-uitkering definitief vast in mei 2001 en vorderde onverschuldigde betalingen terug.
Appellant betoogde dat de lange periode tussen voorlopige toekenning en definitieve vaststelling in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en dat het UWV onrechtmatig handelde door te laat de Duitse rente aan te vragen, wat schade veroorzaakte. De Raad oordeelde dat appellant op de hoogte was van het voorlopige karakter van de uitkering en rekening moest houden met verrekening.
De Raad stelde vast dat het UWV conform de WAZ verplicht was de uitkering te herzien zodra de Duitse uitkering bekend was. De stelling van onrechtmatigheid en schade werd niet onderbouwd en de civiele rechter vond onvoldoende grond voor schadevergoeding. Dringende redenen om van terugvordering af te zien ontbraken.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigde WAZ-uitkering wordt bevestigd.