ECLI:NL:CRVB:2006:AU9089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering op basis van medische herbeoordeling en functiebeschikbaarheid
Appellant, voormalig stukadoor, ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens rug- en schouderklachten. Na een medische herbeoordeling in 2001 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%, waarna de uitkering werd herzien. Vervolgens voerde een bezwaarverzekeringsarts in 2002 een nadere beoordeling uit, waarbij de beperkingen werden aangescherpt en het belastbaarheidspatroon werd aangepast.
Op basis van deze nieuwe medische gegevens concludeerde een bezwaararbeidsdeskundige dat negen van de dertien eerder geselecteerde functies niet passend waren, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid werd verhoogd naar 45 tot 55%. Appellant stelde in hoger beroep bezwaren aan onder meer de geschiktheid van bepaalde functies en de bijwerkingen van medicatie, maar deze werden door de Raad gemotiveerd weerlegd.
De Raad oordeelde dat de resterende functies voldoende passend waren, mede door mogelijkheden tot afwisseling en het gebruik van hulpmiddelen. De klachten die appellant in hoger beroep aanvoerde, hadden geen betrekking op de datum in geding en konden daarom niet tot een ander oordeel leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee het bestreden besluit waarin de WAO-uitkering van appellant is herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%, en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering van appellant naar 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.