ECLI:NL:CRVB:2005:AV2487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na raamovereenkomst met uitzendbureau
De zaak betreft een geschil over de weigering van een WW-uitkering aan gedaagde, die op grond van een raamovereenkomst met een uitzendbureau werkzaam was geweest. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde de uitkering omdat gedaagde verwijtbaar werkloos werd geacht. De kern van het geschil was of de arbeidsrelatie met het uitzendbureau een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd betrof.
De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd omdat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de feitelijke arbeidsrelatie en de voorwaarden waaronder gedaagde bij het uitzendbureau werkte. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde dat appellant niet zonder meer mocht aannemen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, vooral gezien het karakter van het werk en de aard van de overeenkomst.
De Raad benadrukte dat de raamovereenkomst geen uitzendovereenkomst zelf is, maar een overeenkomst tot het aangaan van uitzendovereenkomsten, waarbij schriftelijke bevestiging vereist is. Het ontbreken van een dergelijke bevestiging leidt niet automatisch tot een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Omdat appellant geen adequaat onderzoek had verricht, was het bestreden besluit niet zorgvuldig genomen.
De Raad veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten van gedaagde en legde een griffierecht op. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 14 december 2005 door voorzitter H. Bolt en leden B.M. van Dun en J. Riphagen.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid in het onderzoek naar de arbeidsrelatie.