ECLI:NL:CRVB:2005:AU9875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na verstoorde arbeidsrelatie
Gedaagde was sinds 1997 werkzaam als operator in drieploegendienst bij een werkgever. Door een verstoorde arbeidsrelatie, met name vanwege oncontroleerbare ziekmeldingen en onduidelijkheid over werktijden, vroeg de werkgever een ontslagvergunning aan. Uiteindelijk werd de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens gewichtige redenen.
Het UWV weigerde gedaagde een WW-uitkering toe te kennen omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht, gebaseerd op meerdere waarschuwingen van de werkgever over het niet naleven van bedrijfsregels. Gedaagde voerde verweer met onder meer steun van zijn vakbond en stelde dat zijn ziekmeldingen vaak geaccepteerd werden en dat misverstanden over zijn verblijfadres bestonden.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens onvoldoende onderzoek en het niet meenemen van het verweer in de RDA-procedure. Het UWV ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat gedaagde verwijtbaar werkloos was. De Raad vond dat het UWV terecht geen nader onderzoek bij de werkgever hoefde te doen gezien de beschikbare brieven en waarschuwingen, maar dat het bewijs onvoldoende was om de uitkeringsweigering te handhaven.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van het UWV ongegrond, waardoor gedaagde recht heeft op de WW-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.