ECLI:NL:CRVB:2005:AU9691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid tijdens proeftijd
Appellant was sinds januari 2003 werkzaam als buitenland chauffeur bij een werkgever met een arbeidsovereenkomst van 12 maanden en een proeftijd van twee maanden. Tijdens deze proeftijd werd hij ontslagen omdat hij een volle container buiten het afgesloten bedrijventerrein had achtergelaten zonder het speciaal vervaardigde slot te gebruiken.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd omdat hij volgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet verwijtbaar werkloos was en verwees naar een kantonrechterlijk vonnis dat het verwijt niet ernstig genoeg achtte voor ontslag. De Raad oordeelde dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de omstandigheden, zoals het ontbreken van instructies en sleutels, en dat appellant alle mogelijke voorzorgsmaatregelen had genomen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en bepaalde dat het Uitvoeringsinstituut opnieuw moet beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het Uitvoeringsinstituut veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het Uitvoeringsinstituut moet opnieuw beslissen.