ECLI:NL:CRVB:2005:AU9509
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid en toepassing artikel 39a WAO bij weigering verhoging en intrekking uitkering
Appellante beschikte over een WAO-uitkering van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid. Zij meldde zich op 19 november 1999 ziek vanwege toegenomen klachten. Gedaagde weigerde per 3 oktober 2001 de verhoging van de uitkering en trok deze per 27 november 2001 in wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar klachten voortkomen uit dezelfde oorzaak als de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid, met beroep op artikel 39a WAO.
De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. De Centrale Raad vernietigt het niet-ontvankelijkverklaarde deel over artikel 39a WAO en verwijst dit terug naar de rechtbank voor inhoudelijke beantwoording. Het beroep tegen de intrekking van de uitkering wordt bevestigd als ongegrond, omdat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld en appellante met de haar voorgehouden functies een inkomen kan verwerven.
De Raad stelt vast dat het griffierecht door gedaagde moet worden vergoed. Tevens wordt gedaagde voorwaardelijk veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep, voor het geval het bestreden besluit niet in stand blijft. De uitspraak is gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden op 23 december 2005.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering verhoging op grond van artikel 39a WAO wordt terugverwezen naar de rechtbank, het beroep tegen intrekking uitkering wordt afgewezen.