ECLI:NL:CRVB:2005:AU8994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde bijstand na afwijzing aanvraag
Appellant heeft bijstand aangevraagd, maar de aanvraag werd op 23 maart 2001 afgewezen omdat hij niet de gevraagde gegevens over zijn woning en hypotheek aanleverde. Tegen dit besluit werd geen bezwaar gemaakt, waardoor het besluit onherroepelijk werd. Desondanks werd hem tijdelijk bijstand toegekend als voorschot over de periode van 27 november 2000 tot en met 26 februari 2001.
De gemeente vorderde deze bijstand terug op grond van artikel 80 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw). Appellant voerde aan dat hij recht had op bijstand en dat terugvordering onterecht was, mede vanwege zijn financiële situatie en mede-eigendom van de woning. De rechtbank vernietigde het terugvorderingsbesluit wegens een verkeerde wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep tegen het afwijzingsbesluit niet-ontvankelijk is omdat appellant geen belang meer heeft. De terugvordering is rechtmatig omdat het afwijzingsbesluit onherroepelijk is en er geen dringende reden is om van terugvordering af te zien. Daarbij moet de terugvordering zodanig plaatsvinden dat appellant een inkomen behoudt gelijk aan de beslagvrije voet. De Raad bevestigt de uitspraak en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde bijstand wordt bevestigd omdat het afwijzingsbesluit onherroepelijk is en geen dringende reden voor kwijtschelding bestaat.