ECLI:NL:CRVB:2005:AU8646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ZW-uitkering en herziening WAO-uitkering na fraudeonderzoek
Appellant, werkzaam als kraanmachinist en eerder arbeidsongeschikt, ontving een ZW-uitkering vanaf mei 1999 en een WAO-uitkering die in mei 2000 werd herzien naar 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een fraudeonderzoek bleek dat appellant vanaf september 1999 werkzaamheden verrichtte voor een manege die hij mede exploiteerde, zonder dit te melden. Hierdoor werd de ZW-uitkering ingetrokken en onverschuldigde bedragen teruggevorderd.
Medische rapporten van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige stelden vast dat appellant op psychisch vlak slechts beperkt was belastbaar, met een herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid. Appellant voerde aan dat hij slechts beperkte werkzaamheden verrichtte en dat zijn medische beperkingen groter waren dan aangenomen, maar deze stellingen werden door de Raad verworpen.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant tijdens het fraudeonderzoek betrouwbaar waren en dat het niet melden van herstel en werkzaamheden terecht leidde tot intrekking van de ZW-uitkering per 1 september 1999. Ook de herziening van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde bedragen werden bevestigd. De bezwaren van appellant werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken van de rechtbank Groningen werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de ZW-uitkering per 1 september 1999 en de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.