ECLI:NL:CRVB:2005:AU8230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering en rechtszekerheid bij uitvoering
Appellante ontving eerder een arbeidsongeschiktheidsuitkering en was sinds 1999 gedeeltelijk werkzaam. Na uitval in maart 1999 weigerde het UWV aanvankelijk een WAO-uitkering toe te kennen vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar werd appellante in april 2002 als volledig arbeidsongeschikt erkend en werd een uitkering toegekend.
De uitbetaling werd echter geschorst per november 2002, waarbij een voorschot werd betaald over de periode vanaf juni 2000. Appellante stelde dat deze schorsing in strijd was met rechtszekerheid en dat het UWV eerder een definitieve beslissing had moeten nemen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat het UWV niet verplicht was onmiddellijk een definitieve beslissing te nemen en dat de schorsing en betaling van een voorschot een juridische basis hebben. Hoewel de uitvoering trager had kunnen zijn, is er geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het hoger beroep wordt verworpen en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro wordt niet aangewezen.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt verworpen.