ECLI:NL:CRVB:2005:AU8227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4897 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • J.E. Meijer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 2 WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-herziening WAO-uitkering onder toepassing artikel 37 lid 2 WAO

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om haar WAO-uitkering, vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, per 1 maart 2001 ongewijzigd te laten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd.

De kernvraag was of de beperkingen die in 2001 tot volledige arbeidsongeschiktheid leidden, voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak als die waarop de eerdere uitkeringsherziening in 1977 was gebaseerd. Hoewel in 1995 en 2001 een hogere mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld, werd de uitkering niet herzien vanwege toepassing van artikel 37, tweede lid, WAO.

De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en vond geen aanwijzingen dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid een andere medische oorzaak had dan de oorspronkelijke. Daarom was het besluit tot niet-herziening terecht. Ook was geen grond aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering niet herzien wordt omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet uit een andere oorzaak voortkomt.

Uitspraak

03/4897 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 24 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 december 2001, waarbij gedaagde heeft bepaald dat appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, per 1 maart 2001 ongewijzigd blijft, ongegrond verklaard.
De rechtbank Almelo heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 24 juni 2002 bij uitspraak van 1 september 2003, nr. 02/579 WAO, ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld op door G. Grote Beverborg, werkzaam bij Arcon Belangenbehartigers te Hengelo, bij beroepschrift van
1 oktober 2003 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 20 november 2003, ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2005, waar partijen - gedaagde met bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.
Dit geding wordt beheerst door het antwoord op de vraag of de beperkingen op grond waarvan appellante ten tijde van de beoordeling in 2001 volledig arbeidsongeschikt is geacht, voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan de uitkering van appellante laatstelijk per 1 mei 1977 was herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Weliswaar heeft gedaagde zowel bij de herbeoordeling in het kader van de Wet Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen in 1995, als bij de vijfdejaarsherbeoordeling in 2001 vastgesteld dat appellante voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is, doch met toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO heeft gedaagde appellantes uitkering niet herzien.
De rechtbank heeft reeds gewezen op artikel 37 van Pro de WAO waarin op de in dit geding relevante datum het volgende was bepaald:
“1. Terzake van de toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.
2. De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats, indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid uitsluitend verzekerd is op grond van artikel 7b, en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de arbeidsongeschiktheid, terzake waarvan een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.”
De Raad is van oordeel dat gedaagde terecht onder toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO appellantes uitkering ingevolge de WAO, welke laatstelijk was vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, niet heeft herzien. De Raad onderschrijft in dit verband volledig de overwegingen van de rechtbank. Ook de Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het standpunt van appellante dat de volledige arbeidsongeschiktheid voortkomt uit de beperkingen en medische oorzaak die al in de beoordelingen in 1974 en 1976 een rol hebben gespeeld.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en
mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
MR