ECLI:NL:CRVB:2005:AU7795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- C.G.M. van Rijnberk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid na vrijwillig ontslag en kort dienstverband
Appellant was sinds 1 april 2000 in dienst als chauffeur bij een werkgever en nam op 1 juli 2003 ontslag. Kort daarna trad hij in dienst bij een andere werkgever voor drie maanden, waarna hij werkloos werd en een WW-uitkering aanvroeg. De uitkering werd geweigerd omdat appellant een voorzienbaar werkloosheidsrisico had genomen door ontslag te nemen zonder dringende redenen.
De voorzieningenrechter schorste de weigering deels en legde een maatregel van 35% gedurende 26 weken op. Gedaagde verklaarde het bezwaar gedeeltelijk gegrond, omdat er geen acute noodzaak was voor ontslag en appellant redelijkerwijs de dienstbetrekking had kunnen voortzetten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef het standpunt van gedaagde.
In hoger beroep stelde appellant dat hij op verzoek van zijn werkgever naar een andere baan had gezocht en dat er sprake was van een positieverbetering. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende concrete informatie had over de financiële situatie van de werkgever en dat het nieuwe dienstverband niet gegarandeerd werd verlengd. Er waren geen dringende redenen voor ontslag en de verwijtbaarheid bleef bestaan.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de opgelegde maatregel en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is en handhaaft de maatregel van 35% weigering WW-uitkering gedurende 26 weken.