ECLI:NL:CRVB:2005:AU7792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- C.G.M. van Rijnberk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WW-uitkering wegens niet-verloren arbeidsuren en terugvordering
Appellant ontving vanaf 1 juni 1995 een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld arbeidsurenverlies van 40 uur per week. Na een periode van ziektewet ontving hij vanaf 23 maart 1999 opnieuw een WW-uitkering. Gedaagde kreeg informatie dat appellant werkzaamheden verrichtte onder een ander sofi-nummer bij een schoonmaakbedrijf en startte een onderzoek.
Het onderzoek leidde tot een frauderapport waaruit bleek dat appellant in de periode van 17 maart 1999 tot 31 december 2000 als schoonmaker werkte zonder dit aan gedaagde te melden. Loonstroken en salarisbetalingen stonden op naam van een ander, maar de bankrekening was gekoppeld aan een adres waar appellant woonde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de inlichtingenplicht was overtreden en de WW-uitkering terecht was herzien.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen werkzaamheden had verricht en verwees naar getuigenverklaringen. De Raad concludeerde echter dat het onderzoek zorgvuldig was, getuigen appellant herkenden op foto’s als de schoonmaker, en dat de spiegelconfrontatie in de strafzaak niet leidde tot andere conclusies. De Raad bevestigde dat appellant geen recht had op WW-uitkering over de genoemde periode en dat terugvordering van de onverschuldigde uitkering terecht was.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WW-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen.