ECLI:NL:CRVB:2005:AU7780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- C.G.M. van Rijnberk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na reorganisatie
Appellante heeft na een reorganisatie bij haar werkgever ABN-AMRO met wederzijds goedvinden haar dienstverband beëindigd per 1 juli 2002. Zij vroeg vervolgens een WW-uitkering aan met ingang van die datum. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde de WW-uitkering blijvend geheel omdat appellante verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door instemming met het ontslag terwijl geen dringende reden bestond om het dienstverband te beëindigen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de financiële problemen van appellante geen dringende reden vormden om af te zien van de maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering. In hoger beroep bestreed appellante dit oordeel, stellende dat haar gezin door hoge lasten en het lage, fluctuerende inkomen van haar echtgenoot in financiële nood was geraakt.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de dringende redenen voor het afzien van de maatregel slechts kunnen liggen in de onaanvaardbaarheid van de financiële of maatschappelijke gevolgen. De Raad vond de aangevoerde financiële nood onvoldoende onderbouwd en kon uit de overgelegde bankafschriften geen volledig inzicht verkrijgen in de totale inkomens- en vermogenspositie. Daarom bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank en het besluit van het UWV tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.