ECLI:NL:CRVB:2005:AU7520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4881 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. van Leeuwen
  • H.J. Simon
  • N.J. Haverkamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 14, derde lid, Algemene Kinderbijslagwet
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening uitspraak kinderbijslag

Verzoeker heeft bij brief van 12 augustus 2004 verzocht om herziening van een uitspraak van de Raad van 9 juli 2004 betreffende de toekenning van kinderbijslag. De Raad heeft het verzoek behandeld op 21 oktober 2005, waarbij verzoeker niet is verschenen. De Raad overweegt dat het rechtsmiddel van herziening slechts openstaat indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die bij de eerdere uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.

In de onderhavige zaak concludeerde de Raad dat de kinderbijslag terecht is toegekend vanaf het vierde kwartaal van 1998, conform het verzoek van 18 december 1999. Verzoeker stelde dat kinderbijslag vanaf 1991 zou moeten worden toegekend vanwege zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en deelname aan de vrijwillige AOW/ANW-verzekering. De Raad oordeelt dat deze stellingen geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn zoals bedoeld in artikel 8:88 Awb Pro.

Daarom wijst de Raad het verzoek om herziening af en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door voorzitter H. van Leeuwen en leden H.J. Simon en N.J. Haverkamp, met griffier M.F. van Moorst, op 2 december 2005.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over kinderbijslag wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

04/4881 AKW
U I T S P R A A K
Met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], Marokko, verzoeker,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Verzoeker heeft bij brief van 12 augustus 2004 om herziening verzocht van de door de Raad onder dagtekening 9 juli 2004 tussen partijen gegeven uitspraak, nummer 02/2027 AKW, naar welke uitspraak hier wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2005 waar verzoeker niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Al eerder, onder meer in de uitspraak van 3 oktober 1996, gepubliceerd in JB 1996/248, heeft de Raad overwogen dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
In de uitspraak van de Raad waarvan thans om herziening wordt gevraagd, heeft de Raad geconcludeerd dat gedaagde terecht in het onderhavige geval geen bijzondere omstandigheden heeft aangenomen, waardoor hij van zijn bevoegdheid gebruik zou kunnen maken om van de in artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet vermelde termijn af te wijken. Uitgaande van verzoekers verzoek om kinderbijslag bij brief van 18 december 1999 heeft de Raad overwogen dat de kinderbijslag dan ook terecht is toegekend met ingang van het vierde kwartaal van 1998.
In het verzoek om herziening heeft verzoeker gesteld dat hij kinderbijslag wenst vanaf 1991 omdat hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangt en dat hij heeft verzocht om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering AOW/ANW.
De Raad overweegt dat hetgeen namens verzoeker is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
Rejète la demande de révision.
Par conséquent, décidée par M. le maître H. van Leeuwen en qualité de président, M. le maître H.J.Simon et M. le maître
N.J. Haverkamp comme membres, en présence de M.F. van Moorst en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 2 décembre 2005.