ECLI:NL:CRVB:2005:AU7196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsgehandicaptenstatus bij ontheffing arbeidsverplichtingen op grond van chronische vermoeidheid
Appellante ontvangt sinds 1998 een bijstandsuitkering en is op medische gronden ontheven van arbeidsverplichtingen. Het College van B&W stelde haar aan als arbeidsgehandicapte op basis van een advies van Argonaut B.V. en de Wet REA. Na bezwaar en een eerdere vernietiging door de rechtbank werd bij besluit van juni 2003 opnieuw vastgesteld dat appellante arbeidsgehandicapte is zonder beperking in werktijd.
Appellante betoogde dat haar status geen redelijk doel dient en dat zij door haar chronisch vermoeidheidssyndroom niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, waardoor de status haar re-integratie juist belemmert. Tevens stelde zij dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd.
De Raad oordeelde dat het College het eerdere vonnis van de rechtbank correct heeft uitgevoerd en dat de verwijzing naar de verkeerde wetsartikelen een kennelijke misslag was zonder belangenverlies voor appellante. De vaststelling van de arbeidsgehandicaptenstatus is een formele stap voorafgaand aan nadere beoordeling van inzet van re-integratiemiddelen. De klachten over het gelijkheidsbeginsel en het ontbreken van een redelijk doel faalden omdat appellante onvoldoende aannemelijk maakte dat andere bijstandsgerechtigden ongelijk werden behandeld.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante terecht als arbeidsgehandicapte is aangemerkt en wijst het hoger beroep af.