ECLI:NL:CRVB:2005:AU6968

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3463 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vernietiging WAO-besluit wegens onvoldoende actualisering functies

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het bezwaar van een verzekerde tegen een WAO-besluit gegrond verklaarde en het besluit vernietigde wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding.

De rechtbank had geoordeeld dat één van de als geschikt aangemerkte functies meer dan 18 maanden voor de toekenningsdatum was geactualiseerd, wat onvoldoende was voor een actuele beoordeling. De Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel getoetst en geoordeeld dat niet iedere afwijking van de gebruikelijke actualiseringstermijn van anderhalf jaar leidt tot het ontbreken van realiteitswaarde.

De Raad oordeelde dat in dit geval geen sprake was van een aanzienlijke afwijking en dat de functies voldoende realiteitswaarde bezaten. Ook zag de Raad geen aanwijzingen dat de belasting van de functies de belastbaarheid van de verzekerde zou overstijgen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden vonnis vernietigd.

Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, op 25 november 2005.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het bestreden vonnis vernietigd.

Uitspraak

03/3463 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Rotterdam op 12 juni 2003 onder kenmerk WAO 02/2771 tussen partijen gewezen uitspraak.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2005, waar namens appellant is verschenen mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uwv en gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 2 mei 2002 heeft, voor zover nog van belang, appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 25 april 2001 tot toekenning per 1 mei 2001 aan gedaagde van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
De rechtbank heeft de tegen de medische grondslag van het bestreden besluit aangevoerde grond uitdrukkelijk verworpen. Niettemin heeft zij het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat dat onvoldoende zorgvuldig zou zijn voorbereid, nu één van de als geschikt aangemerkte functies voor het laatst op 29 oktober 1999, (enkele dagen) meer dan 18 maanden voor de toekenningsdatum, was geactualiseerd.
Het hoger beroep van appellant keert zich tegen dat, laatste, oordeel van de rechtbank en leent zich voor een zelfstandige beoordeling.
Zoals overwogen in de uitspraak van de Raad van 3 februari 2004 USZ 2004,105 dienen geduide functies voldoende realiteitswaarde te hebben. Naar de Raad reeds vaker, onder meer in zijn uitspraak van 26 april 2005 (LNJ AT4923) tot uitdrukking heeft gebracht, betekent niet iedere afwijking van de in de praktijk toegepaste werkwijze dat na (ongeveer) anderhalf jaar functies in het FIS-systeem worden geactualiseerd dat een schatting daardoor voldoende realiteitswaarde ontbeert. Hiervan kan onder omstandigheden sprake zijn bij een aanzienlijke afwijking van die termijn van anderhalf jaar. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in dit geval geen sprake.
De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat de belasting in de als geschikt voorgehouden functies de belastbaarheid van gedaagde overstijgt.
Het inleidend beroep moet ongegrond worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond;
Wijst af de gevraagde schadevergoeding.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
RB2111