ECLI:NL:CRVB:2005:AU6856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling
Appellant was sinds 1 oktober 2000 in dienst bij een werkgever en had een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd sinds 1 oktober 2001. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 oktober 2002, waarbij appellant een vergoeding ontving gelijk aan een maandsalaris. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde de WW-uitkering over de periode van 7 oktober 2002 tot 1 december 2002 wegens een vermeende benadelingshandeling, omdat appellant volgens hen niet had voldaan aan de verplichting een vergoeding te eisen die gelijk was aan de opzegtermijn van vier maanden.
De Raad stelde vast dat appellant niet nalatig was en dat de ontbindingsovereenkomst en de ontbindingsdatum correct waren vastgesteld. De Raad oordeelde dat appellant niet tekort was geschoten en dat er geen sprake was van een benadelingshandeling. Tevens werd geoordeeld dat gedaagde onvoldoende had gemotiveerd waarom een hogere vergoeding redelijkerwijs haalbaar zou zijn geweest.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank dat dit in stand hield. Het primaire besluit van 14 november 2002 werd herroepen voor zover het de maatregel betrof. Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling wordt vernietigd en UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten.