ECLI:NL:CRVB:2004:AO2369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op WW-uitkering bij ontbinding arbeidsovereenkomst door kantonrechter
Appellanten verzochten om WW-uitkering, maar de uitkeringsinstantie stelde dat geen recht op uitkering bestond tot 1 juli 2000 vanwege de fictieve opzegtermijn volgens artikel 16, derde lid, van de WW.
De kern van het geschil betrof de vraag of de arbeidsovereenkomsten waren geëindigd door ontbinding door de kantonrechter of met wederzijds goedvinden. Appellanten stelden dat zij met schriftelijke aanvaarding van het voorstel van de werkgever de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden hadden beëindigd.
De rechtbank en de Centrale Raad oordeelden echter dat het voorstel en de acceptatie daarvan slechts een overeenkomst waren over de voorwaarden waaronder de ontbinding door de kantonrechter zou worden verzocht. De feitelijke beëindiging vond plaats door ontbinding door de kantonrechter, zoals ook daadwerkelijk is gebeurd.
Daarom is de fictieve opzegtermijn van toepassing zoals bedoeld in artikel 16, derde lid, onder b, van de WW, en niet de regeling voor beëindiging met wederzijds goedvinden. De bestreden besluiten werden bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de arbeidsovereenkomsten zijn geëindigd door ontbinding door de kantonrechter en wijst het beroep ongegrond.