ECLI:NL:CRVB:2005:AU6608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- A.B.J. van der Ham
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse verzorging
Gedaagde ontving sinds 1995 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een melding over het samenwonen met een vriend, betrokkene, stelde de Sociale verzekeringsbank een onderzoek in. Op basis van dit onderzoek trok zij de uitkering per 1 januari 2002 in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering en gebrekkig onderzoek naar de feitelijke samenwoning. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders. De Raad stelt vast dat betrokkene hoofdzakelijk verbleef in de woning van gedaagde en dat sprake is van een gezamenlijke huishouding volgens de wettelijke criteria.
Daarnaast is vastgesteld dat gedaagde en betrokkene zorg aan elkaar verlenen, onder meer door gezamenlijke maaltijden, gedeelde huishoudelijke taken en gezamenlijke kosten. De Raad concludeert dat de Sociale verzekeringsbank terecht de uitkering heeft ingetrokken en verklaart het beroep ongegrond, waarbij het eerdere vonnis wordt vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd.