ECLI:NL:CRVB:2005:AU6059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering wegens niet tijdig inleveren OV-studentenkaart na beëindiging studiefinanciering
Appellante ontving studiefinanciering inclusief een OV-studentenkaart voor een vierjarige opleiding aan het Regionaal opleidingen centrum te Eindhoven. Na uitschrijving per 27 november 2003 leverde zij de OV-kaart pas op 8 december 2003 in, later dan de wettelijk voorgeschreven termijn van vijf werkdagen na beëindiging van het recht op studiefinanciering. Gedaagde herzag daarop de studiefinanciering en vorderde € 54,03 terugbetaald bedrag en € 68,- wegens onterecht bezit van de OV-kaart.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. Appellante voerde aan dat zij de kaart niet tijdig inleverde omdat zij overwoog haar studie voort te zetten aan een andere instelling, maar uiteindelijk besloot dit niet te doen. De Raad oordeelde dat dit geen overmachtsituatie oplevert zoals bedoeld in artikel 3.27 WSF 2000 en dat de wettelijke verplichting tot tijdige inlevering dwingendrechtelijk is.
De Raad bevestigde daarom de vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart blijft gehandhaafd.