ECLI:NL:CRVB:2005:AU5943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en niet nagekomen inlichtingenplicht
In deze zaak staat centraal of appellant terecht werd aangesproken voor de terugvordering van bijstandskosten die ten onrechte aan betrokkene zijn verstrekt. De terugvordering is gebaseerd op artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), omdat de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend maar dat niet is gebeurd vanwege het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht door betrokkene.
De Raad heeft vastgesteld dat appellant en betrokkene gedurende de periode van 1 juli 2001 tot en met 31 mei 2002 een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en aan het criterium van wederzijdse verzorging werd voldaan. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere uitspraken en de beschikbare gegevens.
Omdat betrokkene niet aan haar inlichtingenplicht voldeed, was het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem bevoegd om de ten onrechte verleende bijstandskosten mede van appellant terug te vorderen. Er zijn geen dringende redenen gevonden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Het hoger beroep van appellant wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Zutphen wordt bevestigd. De Raad ziet ook geen aanleiding om appellant in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten van appellant wegens gezamenlijke huishouding en niet nagekomen inlichtingenplicht.