ECLI:NL:CRVB:2005:AU5814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en beperkingen bij WAO-uitkering begeleidster verstandelijk gehandicapten
Gedaagde, werkzaam als begeleidster van verstandelijk gehandicapten, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een eerstejaars herbeoordeling werd de uitkering herzien naar 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid, waarbij rekening werd gehouden met rug- en handklachten, waaronder de ziekte van Dupuytren. Gedaagde maakte bezwaar tegen deze herziening, waarop het UWV het bezwaar ongegrond verklaarde.
De rechtbank oordeelde dat er twijfel bestond over de juiste vaststelling van de beperkingen en dat deze twijfel niet ten nadele van gedaagde mocht werken, waardoor het besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. In hoger beroep stelde het UWV dat gedaagde ondanks hand- en vingerbeperkingen in staat was de geduide functies te verrichten, ondersteund door een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de belasting van de functies met bijzondere eisen aan hand- en vingergebruik de belastbaarheid van gedaagde te boven gaat. Het rapport van de plastisch chirurg en de verzekeringsarts bevestigen de omvang van de beperkingen. Ook voldeed de schatting van functies niet aan de eisen van het Schattingsbesluit WAO. Daarom werd het hoger beroep van het UWV afgewezen en werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.