ECLI:NL:CRVB:2005:AU5563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging maatregel weigering ziekengeld wegens onjuiste juridische grondslag
Appellant was voltijds productiemedewerker en meldde zich ziek op 9 oktober 2001. Na medisch onderzoek werd hij per 26 februari 2002 geschikt geacht om het werk gedeeltelijk te hervatten, maar hij ging niet aan het werk. Vervolgens werd hij ontslagen per 1 mei 2002. Appellant vroeg een Ziektewetuitkering aan, maar het UWV legde een maatregel op van gehele weigering van ziekengeld over de periode dat hij aanspraak op loon had kunnen doen.
Appellant stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van werkweigering omdat hij ziek was en dat hij zijn loonrechten niet had prijsgegeven. Ook voerde hij psychische klachten aan als verminderde verwijtbaarheid. De Raad oordeelde dat de maatregel berustte op een onjuiste juridische grondslag, omdat het handelen van appellant moet worden aangemerkt als een gedraging in een andere categorie dan waarop het besluit was gebaseerd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en terugbetaling van het griffierecht. De zaak werd verwezen naar de juiste kamer voor een weloverwogen besluit over een eventuele maatregel.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot gehele weigering van ziekengeld wordt vernietigd wegens onjuiste juridische grondslag en het UWV wordt veroordeeld in proceskosten.