ECLI:NL:CRVB:2005:AU5089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks betwisting gewekte verwachtingen
Appellant ontving onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen over de periode van 8 augustus 1996 tot en met 31 oktober 1999. Na een eerdere uitspraak werd vastgesteld dat hij recht had op een WW-uitkering met terugwerkende kracht, waarbij de WAO-uitkering moest worden ingetrokken en verrekend. Appellant ontving nabetalingen en stelde dat hij door de uitvoeringsinstantie verzekerd was dat deze bedragen correct waren, waarop hij zijn schulden had afgelost.
De Raad overweegt dat de terugvordering van onverschuldigde uitkeringen op grond van artikel 57 WAO Pro gerechtvaardigd is. De stelling van appellant dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had op de juistheid van de betalingen wordt verworpen, mede omdat geen schriftelijke bevestigingen of administratieve rapporten dit ondersteunen. Ook is het onjuist dat terugvordering van de werkgever had moeten plaatsvinden, aangezien deze slechts als tussenpersoon fungeerde.
De Raad benadrukt dat bijzondere omstandigheden die tot afzien van terugvordering zouden kunnen leiden, niet zijn gebleken. De financiële gevolgen voor appellant zijn niet van dien aard dat sprake is van een dringende reden om terugvordering te matigen. Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen en wijst het hoger beroep af.