ECLI:NL:CRVB:2005:AU4833
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding endoscopische hernia-operatie wegens gebrek aan gebruikelijkheid
Appellante, verzekerd op grond van de Ziekenfondswet, onderging in 1999 een endoscopische hernia-operatie in Duitsland en verzocht vergoeding van de kosten. Gedaagde weigerde de vergoeding omdat de behandeling niet gebruikelijk was binnen de beroepsgroep, een standpunt ondersteund door het College voor Zorgverzekeringen (CvZ).
De rechtbank oordeelde aanvankelijk deels in het voordeel van appellante, maar verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit van gedaagde ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep. De Raad toetste of de endoscopische hernia-operatie als gebruikelijke geneeskundige zorg kon worden aangemerkt volgens artikel 8 Zfw Pro en het Verstrekkingenbesluit.
De Raad concludeerde dat de endoscopische operatie een zelfstandige medische ingreep is waarvoor gebruikelijkheid in de beroepsgroep vereist is. Op basis van literatuuronderzoeken en adviezen van het CvZ, die onder meer wezen op onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing en onbekende lange termijn effecten ten tijde van het besluit, werd geoordeeld dat de behandeling toen niet gebruikelijk was. De vergoeding werd daarom terecht geweigerd. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de vordering van appellante af.
Uitkomst: De vergoeding van de kosten van de endoscopische hernia-operatie is terecht geweigerd omdat de behandeling destijds niet gebruikelijk was in de beroepsgroep.