ECLI:NL:CRVB:2005:AU4284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.Th. Wolleswinkel
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eervol ontslag op grond van verstoorde arbeidsverhouding zonder reorganisatie
Appellant was sinds 1968 in dienst bij de gemeente en bekleedde diverse leidinggevende functies. Vanaf 1994 was hij projectmanager, waarbij de samenwerking met de vakdienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer (ROB) verstoord raakte. Pogingen om de samenwerking te verbeteren faalden, waarna appellant in 2001 ziek werd en na herstel geen werkzaamheden meer verrichtte.
In 2001 werd appellant een andere invulling van zijn functie voorgesteld, met een voorstel tot verzelfstandiging. Partijen bereikten geen overeenstemming, ook mediation in 2002 slaagde niet. Gedaagde verleende appellant per 1 januari 2003 eervol ontslag op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO, met een uitkering volgens hoofdstuk 10a van de CAR/UWO en compensatie van pensioenverlies en juridische kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van reorganisatieontslag en dat appellant mede verantwoordelijk was voor de verstoorde arbeidsverhouding. De Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat gedaagde voldoende compensatie heeft geboden en dat het aandeel van gedaagde in de verstoorde verhouding niet zodanig was dat een hogere tegemoetkoming op haar plaats was.
De Raad wijst erop dat de structuur die tot problemen leidde mede was ingegeven door het gebrek aan managementkwaliteiten van appellant en dat gedaagde redelijke pogingen heeft gedaan tot verbetering. Ook het laatste aanbod van gedaagde was redelijk, ondanks dat mediation niet tot overeenstemming leidde. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het eervol ontslag van appellant wordt bevestigd met toekenning van uitkering en compensatie, zonder dat sprake is van reorganisatie.