ECLI:NL:CRVB:2005:AU3875

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/201 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Rijkswachtgeldbesluit 1959Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verrekening inkomsten vennootschap met wachtgelduitkering

Appellant was werkzaam bij het Centraal Diergeneeskundig Instituut tot zijn eervol ontslag in 1991, waarna hij wachtgeld ontving. Hij richtte tijdens en na zijn dienstverband twee BV's op, waarvan de inkomsten aanleiding waren voor herberekening en terugvordering van zijn wachtgeld over 1996.

De rechtbank oordeelde dat de inkomsten uit de BV's nieuw waren en niet als aangehouden inkomsten konden worden beschouwd, en wees het beroep van appellant af. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel, stellende dat de inkomsten voortvloeien uit werkzaamheden die samenhangen met het ontslag en het overnemen van licentie- en patentrechten.

De Raad verwierp tevens het verweer dat de winst niet verrekend mocht worden omdat deze in de BV bleef, verwijzend naar vaste jurisprudentie waarin ook de nettowinst van een vennootschap kan worden betrokken bij de verrekening met wachtgeld. Ook het argument over fiscale middeling werd verworpen omdat deze niet had plaatsgevonden.

De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaald wachtgeld wegens verrekening met inkomsten uit vennootschappen.

Uitspraak

04/201 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 28 november 2003, nr. AWB 01/1253, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.
Gedaagde heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 augustus 2005, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich, zoals tevoren was gemeld, niet heeft laten vertegen-woordigen.
II. MOTIVERING
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is van 12 november 1962 tot 1 mei 1991 werkzaam geweest bij het Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI). Met ingang van 1 mei 1991 is hem eervol ontslag verleend wegens opheffing van zijn betrekking en is hem wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) toegekend.
1.2. In januari 1990 heeft appellant [naam BV] BV opgericht en in mei 1991 (als dochteronderneming) [naam BV 2] BV. In verband met inkomsten uit deze ondernemingen heeft gedaagde het wachtgeld van appellant over 1996 herberekend en is bij besluit van 27 februari 2001 tot terugvordering van te veel betaald wachtgeld overgegaan. Na tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 19 oktober 2001 de terugvordering beperkt tot de periode van maart tot en met december 1996 en nader vastgesteld op een bedrag van f 11.492,- (thans: € 5.214,84).
2. De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hierbij is, kort samengevat, overwogen dat de tijdens de in geding zijnde periode door appellant verworven inkomsten uit [naam BV] BV en [naam BV 2] BV ingevolge artikel 8 van Pro het Rwb voor verrekening met het wachtgeld in aanmerking komen, nu dit geen zogeheten “aangehouden inkomsten” betreffen (inkomsten die reeds voor het ontslag werden genoten). [naam BV 2] BV is door appellant speciaal opgericht voor overname van een licentie van de voormalig werkgever voor de productierechten van een door appellant tijdens zijn dienstverband ontwikkeld vaccin voor kippen en vormde een fiscale eenheid met [naam BV] BV. Tijdens zijn dienstverband bij het CDI onderhield appellant namens zijn werkgever de contacten met licentienemers wereldwijd en na zijn ontslag heeft hij dit namens [naam BV 2] BV gedaan. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk en inzichtelijk gemaakt dat de inkomsten uit [naam BV] BV noch het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid noch verband houden met het ontslag.
3. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen dan dat van de rechtbank.
3.1. Ook naar het oordeel van de Raad betreffen de inkomsten uit genoemde onder-nemingen, die een fiscale eenheid vormen, nieuw ter hand genomen werkzaamheden. Zoals appellant ook heeft erkend, vloeiden deze werkzaamheden rechtstreeks voort uit en hingen ze samen met zijn ontslag bij het CDI, waarbij appellant patent- en licentierechten heeft overgenomen. Dat appellant vóór zijn ontslag deze werkzaamheden ook verrichtte, maakt niet dat sprake is van aangehouden inkomsten, nu de licentie-inkomsten tijdens het dienstverband van appellant niet aan hem, maar aan het CDI toekwamen.
3.2. Ook de Raad kan appellant niet volgen in diens grief dat geen verrekening van de winst mag plaatsvinden omdat hij die inkomsten niet feitelijk heeft genoten in de betreffende periode maar zij in de BV zijn gebleven. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 8 maart 2000, LJN AB1091, TAR 2001, 58) kan onder omstandigheden ook de nettowinst van een besloten vennootschap, waarvan een belanghebbende (mede)aandeelhouder is, worden betrokken bij de bepaling van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf welke voor verrekening met een wachtgelduitkering in aanmerking komen. Doel en strekking van anticumulatiebepalingen brengen dit met zich. Het gaat daarbij om gevallen waarin de belanghebbende voor de vennootschap arbeid heeft verricht en door de aan die arbeid toe te rekenen nettowinst van de vennootschap direct of indirect is gebaat. Van een dergelijke situatie was hier sprake.
3.3. De grief van appellant dat de fiscale winst over 1996 bij middeling met de resultaten over de jaren 1997 en 1998 op nihil zou zijn uitkomen treft evenmin doel, reeds omdat er geen fiscale middeling heeft plaatsgevonden.
4. Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2005.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) J.P. Grauss.
HD
6.09