ECLI:NL:CRVB:2005:AU3700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WW-uitkering wegens onvoldoende bewijs niet-naleving wekeneis
Appellante had een WW-uitkering ontvangen op basis van een verklaring dat zij in 26 weken voorafgaand aan haar werkloosheid 40 uur per week had gewerkt. Gedaagde trok de WW-uitkering in na een fraudeonderzoek dat twijfels opriep over de juistheid van deze verklaring. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het rapport waarop gedaagde zich baseert onvoldoende feitelijke grondslag biedt om te concluderen dat appellante niet aan de wekeneis heeft voldaan. De verklaringen in het rapport zijn deels gebaseerd op twijfelachtige bronnen en missen ondersteuning door andere bewijsstukken. De Raad hecht ook geen doorslaggevende waarde aan het ontbreken van appellantes naam op manurenlijsten of facturen.
De Raad benadrukt dat de verklaring van appellante consistent is, ondanks enkele leemtes die mogelijk door haar psychische klachten worden verklaard. Ook wijst de Raad op de selectieve presentatie van het onderzoeksrapport door gedaagde, wat de betrouwbaarheid ondermijnt.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de daarop gebaseerde besluiten tot intrekking van ziekengeld en WAO-uitkering en tot terugvordering. Gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen en wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en gedaagde moet een nieuw besluit nemen.