ECLI:NL:CRVB:2005:AU3525
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd volgens artikel 7:668a BW
In deze zaak staat centraal of gedaagde op 6 januari 2003 werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Gedaagde werkte sinds 1998 als touringcarchauffeur voor zijn werkgever en diende op 8 januari 2003 een aanvraag voor een WW-uitkering in. Appellant, het UWV, stelde dat gedaagde meer dan drie opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten had gesloten, waardoor volgens artikel 7:668a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan.
De rechtbank had het beroep van gedaagde gegrond verklaard omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst vanaf april 2002 voor onbepaalde tijd was. De Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat uit de loonstroken van januari tot maart 2002 niet duidelijk blijkt dat er meer dan drie opeenvolgende tijdelijke contracten waren, mede omdat werkzaamheden mogelijk binnen één oproep vielen of een oproep zich over meerdere betaalperiodes uitstrekte.
De Raad ziet daarom geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en oordeelt dat het vermoeden van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet is bewezen. Tevens wordt een griffierecht opgelegd aan appellant. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige vaststelling van arbeidsrelaties bij WW-uitkeringen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd omdat niet is vastgesteld dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.