ECLI:NL:CRVB:2005:AU2938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende arbeidsinspanningen
Appellant kreeg op 24 juli 2002 een maatregel opgelegd waarbij zijn bijstand met 10% werd verlaagd gedurende een maand, omdat hij onvoldoende naar vermogen had geprobeerd arbeid te verkrijgen. Het bezwaar tegen deze maatregel werd door het college ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de maatregel ten onrechte was opgelegd, onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische klachten en dat de maatregel niet in verhouding stond tot zijn gedrag. De Raad stelde vast dat appellant voorafgaand aan het besluit geen concrete pogingen had gedaan om werk te vinden en zelfs medewerking had geweigerd, ondanks eerdere waarschuwingen en gesprekken.
De Raad oordeelde dat de maatregel terecht was opgelegd conform de wettelijke bepalingen en dat de beperkingen van appellant, gebaseerd op een eerder GGD-rapport, geen belemmering vormden voor het verrichten van sollicitatieactiviteiten. Psychiatrische brieven uit 2005 boden geen aanleiding tot een ander oordeel. Er waren geen dringende redenen om af te zien van de maatregel. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De maatregel van 10% verlaging van de bijstand gedurende een maand wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsinspanningen van appellant.