ECLI:NL:CRVB:2005:AU2789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling doorlopende arbeidsongeschiktheid en wachttijd WAO na hersteldmelding en burn-out
Gedaagde was hoofd opleidingen en viel op 18 december 1999 uit wegens een acute ontsteking van de alvleesklier. Na een geleidelijke reïntegratie in 2000, waarbij het aantal werkuren stapsgewijs werd opgebouwd, meldde zij zich op 30 oktober 2000 in overleg met de bedrijfsarts volledig hersteld. Kort daarna hervatte zij haar werkzaamheden volledig, maar staakte deze per 6 december 2000 vanwege een burn-out.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde dat sprake was van doorlopende arbeidsongeschiktheid gedurende de periode van 30 oktober tot 6 december 2000, waardoor de wachttijd van 52 weken op 16 december 2000 was voltooid. De rechtbank Rotterdam oordeelde echter dat de periode van volledige werkhervatting een onderbreking vormde en vernietigde het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat uit medische rapporten en verklaringen, waaronder die van verzekeringsarts Rambocus en bezwaarverzekeringsarts Van Thillo-Nadels, bleek dat de klachten van gedaagde in de periode voor en na 30 oktober 2000 min of meer gelijk waren en dat een burn-out een geleidelijke ontwikkeling kent. De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid doorliep en dat de wachttijd van 52 weken op 16 december 2000 was voltooid.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van appellant gegrond, waarbij het inleidend beroep van gedaagde ongegrond werd verklaard. De Raad vond geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de arbeidsongeschiktheid doorliep en de wachttijd van 52 weken is voltooid, waardoor gedaagde recht heeft op WAO-uitkering vanaf 17 december 2000.