ECLI:NL:CRVB:2005:AU2695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1993 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Naar aanleiding van een vermoeden van samenwoning met partner op een gezamenlijk adres heeft de gemeente een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek, inclusief huisbezoeken, verklaringen en een rapport van de sociale recherche, leidde tot de conclusie dat appellant vanaf 15 april 2001 een gezamenlijke huishouding voerde met partner zonder dit te melden.
De Raad hanteert objectieve criteria voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding, waarbij het hoofdverblijf en de wederzijdse zorg centraal staan. Ondanks dat appellant en partner op verschillende adressen stonden ingeschreven, bleek uit verklaringen en gedragingen dat zij feitelijk samenwoonden en zorg droegen voor elkaar.
Appellant had zijn verklaring herroepen, maar zonder gedetailleerde onderbouwing, waardoor de Raad de oorspronkelijke verklaringen als betrouwbaar beschouwde. De Raad oordeelde dat appellant in strijd met zijn inlichtingenplicht geen melding had gedaan, waardoor de bijstand over de periode ten onrechte werd verleend.
De intrekking van de bijstand en de terugvordering van € 11.348,87 over de periode 15 april 2001 tot 1 april 2002 zijn daarmee terecht. Er zijn geen dringende redenen gevonden om hiervan af te zien. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf 15 april 2001 worden bevestigd.