ECLI:NL:CRVB:2005:AU2453
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Stam
- M.C.M. van Laar
- E. Aardema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken verzekeringsplichtige arbeidsverhouding
Appellant heeft op 2 juli 2001 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Na onderzoek naar de arbeidsverhouding heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) bij besluit van 21 oktober 2002 de uitkering geweigerd omdat appellant niet als werknemer in de zin van de WW werd aangemerkt. Tevens werd bij besluit van 16 november 2002 ten onrechte uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, maar dit werd bij besluit van 11 juni 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de beslistermijn van artikel 127a WW was overschreden en dat er sprake was van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding vanwege een gezagsverhouding. Tevens deed appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat de overschrijding van de beslistermijn geen openbare orde-termijn is en daarom geen gevolgen heeft voor de beslissing. De Raad verwees naar een gelijktijdige uitspraak waarin is vastgesteld dat appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had en dus geen werknemer was in de zin van de WW. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat en een schending daarvan geen invloed heeft.
Ten aanzien van de terugvordering stelde de Raad vast dat appellant in eerste aanleg geen bezwaar had gemaakt en dat dit in hoger beroep niet was weersproken. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het ontbreken van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding.