ECLI:NL:CRVB:2005:AU2191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens niet-naleving alcoholafspraken
Appellant, werkzaam als timmerman, kreeg na een geschil met zijn werkgever een laatste kans bij een verbonden bedrijf onder de voorwaarde dat hij zijn alcoholprobleem zou aanpakken. Ondanks deze afspraak verscheen hij onder invloed van alcohol op het werk en hervatte zijn werkzaamheden niet zoals afgesproken. De werkgever sprak hem daarop op staande voet ontslag uit, wat later werd ontbonden wegens nietigheid, maar het vertrouwen was definitief geschaad.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn stelling dat rugklachten de reden waren voor zijn werkonderbreking en dat het alcoholprobleem de kern van het geschil vormde. Appellant erkende zelf alcohol te gebruiken, ook ter bestrijding van rugklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigerde de WW-uitkering blijvend geheel vanwege verwijtbare werkloosheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek van het Uitvoeringsinstituut zorgvuldig was en dat appellant zijn stellingen onvoldoende concreet had onderbouwd. De Raad bevestigde daarom het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens niet-naleving van afspraken over alcoholgebruik.