ECLI:NL:CRVB:2005:AU2089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellante, werkzaam bij Ericsson en De Nederlandse Operastichting, nam ontslag bij Ericsson en werd vervolgens werkloos. Het UWV weigerde haar WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat zij ontslag had genomen terwijl zij redelijkerwijs had kunnen blijven werken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef dat appellante geen recht had op WW-uitkering uit haar dienstverband bij DNO en dat de verwijtbaarheid van haar werkloosheid uit Ericsson diende te worden beoordeeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het besluit van het UWV op een onjuiste grondslag berust, omdat er geen acute medische noodzaak was om te stoppen en appellante redelijkerwijs had kunnen blijven werken.
De Raad stelt vast dat de werkloosheid uit beide dienstverbanden afzonderlijk moet worden beoordeeld en dat appellante niet voldeed aan de vereisten voor een WW-uitkering uit het dienstverband bij DNO. De Raad vernietigt het besluit en beveelt hernieuwde besluitvorming door het UWV. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient opnieuw te beslissen.