ECLI:NL:CRVB:2005:AU1948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na onherstelbare vertrouwensbreuk
Appellant was sinds 1 november 1999 werkzaam als assistent beheerder van een wijkcentrum en had regelmatig contact met minderjarige jongeren. Op 17 mei 2002 heeft appellant een 16-jarige jongen in zijn woning onheus betast, wat leidde tot onrust en uiteindelijk tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op 22 juli 2002.
Naar aanleiding van zijn aanvraag voor een WW-uitkering heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat ook al vond het gedrag in de privésfeer plaats, het vertrouwen van de werkgever onherstelbaar was beschadigd en er geen dringende redenen zijn om af te zien van de maatregel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.