ECLI:NL:CRVB:2005:AU1568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en afwijzing bijzondere bijstand hoortoestel
Appellant ontving vanaf 1 juli 1997 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van een vermoeden van niet-gemelde werkzaamheden bij een bedrijf heeft de gemeente Eindhoven een onderzoek ingesteld. Op basis hiervan werd het recht op bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van april tot november 2002. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte niet de beëindiging van de bijstand per 1 december 2002 had beoordeeld.
De Raad oordeelde dat appellant slechts over 22 tot en met 26 april 2002 werkzaamheden had verricht en inkomsten had genoten, maar dat voor de periode daarna onvoldoende bewijs was dat hij heeft gewerkt. Wel had appellant zijn verblijf in het buitenland in de tweede helft van 2002 niet gemeld, waardoor het recht op bijstand vanaf 1 juli 2002 niet kon worden vastgesteld. De Raad vernietigde het besluit over de intrekking en terugvordering voor de periode tot 30 juni 2002, maar bevestigde die voor de periode daarna.
Voorts oordeelde de Raad dat appellant terecht een boete kreeg opgelegd wegens het niet onverwijld melden van inkomsten en verblijf in het buitenland. Daarnaast bevestigde de Raad de afwijzing van het verzoek om bijzondere bijstand voor een hoortoestel omdat de aanvraag te laat was ingediend zonder bijzondere omstandigheden. De Raad veroordeelde de gemeente tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De Raad vernietigt deels de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand en bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor een hoortoestel.