ECLI:NL:CRVB:2005:AU1048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens werkzaamheden in slagerij niet gegrond verklaard
Appellant, een voormalig slager met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontving vanaf 1995 aanvullend een WW-uitkering gebaseerd op een arbeidsurenverlies van 36 uur per week. Vanaf januari 1997 gaf hij aan circa 5 uur per week te werken in de slagerij van zijn zoon. Na een opsporingsonderzoek stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) dat appellant vanaf 1997 ten minste 31 uur per week werkte, waarop de WW-uitkering werd herzien en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt vast dat het opsporingsrapport onvoldoende steun biedt voor het standpunt dat appellant gedurende het gehele jaar 1997 minimaal 31 uur per week werkte. Verklaringen van appellant en zijn familie ondersteunen een werkweek van ongeveer 10 uur. Ook is niet gebleken dat tijdens verhoren ongeoorloofde druk is uitgeoefend.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, verklaart het beroep gegrond en beveelt het nemen van een nieuw besluit. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het beroep wordt gegrond verklaard.