ECLI:NL:CRVB:2005:AU0944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- R.M. van Male
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding en verzwegen werkzaamheden
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een tip startte de gemeente Rotterdam een fraudeonderzoek, dat leidde tot een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 augustus 1997 tot 30 september 2000 wegens vermeende gezamenlijke huishouding met [ex-partner] en verzwegen werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat appellante en [ex-partner] een gezamenlijk kind hebben en dat de vereisten voor gezamenlijke huishouding niet zijn bewezen. Ook is onvoldoende vastgesteld dat zij gedurende de gehele periode samenwoonden. Hierdoor houdt de grond voor intrekking over die periode geen stand.
Ten aanzien van de werkzaamheden van appellante concludeert de Raad dat zij vanaf 1 april 2000 werkzaamheden verrichtte en dit verzweeg, wat een grond voor intrekking oplevert voor de periode 1 april 2000 tot 30 september 2000.
De Raad vernietigt het besluit van 21 mei 2002, verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat de gemeente een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente in de proceskosten en bepaalt vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering wordt vernietigd voor de periode tot 1 april 2000, met intrekking beperkt tot 1 april 2000 tot 30 september 2000.