ECLI:NL:CRVB:2005:AU0935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en passendheid aangeboden functies
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin haar WW-uitkering geheel werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De kern van het geschil betrof de vraag of de door de werkgever aangeboden functies passend waren, nadat was vastgesteld dat appellante niet langer arbeidsongeschikt was.
De Raad heeft het verzoek tot het oproepen van een getuige afgewezen omdat deze niet zou bijdragen aan de beoordeling. De feiten zijn onbetwist en vormen het uitgangspunt. De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende medisch bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat zij de aangeboden functies niet kon verrichten.
Hoewel appellante ook stelde dat de functies om andere dan medische redenen niet passend waren, onder meer vanwege haar HBO-diploma, volgt de Raad dit niet. De functie van medewerker randgroepjongeren wordt passend geacht gezien haar eerdere werkzaamheden. Het beroep op schending van de Awb, Grondwet en verdragen wordt wegens onvoldoende onderbouwing verworpen.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid; de aangeboden functies zijn passend.