ECLI:NL:CRVB:2005:AU0559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het gemiddeld aantal arbeidsuren voor WW-uitkering na wijziging arbeidsovereenkomst en ziekte
Gedaagde was sinds 1998 werkzaam bij haar werkgever met een arbeidsovereenkomst die varieerde tussen 24 en 32 uur per week. Vanaf januari 2001 werkte zij 32 uur per week, maar in september 2001 is zij in overleg met haar werkgever overgestapt naar 24 uur per week vanwege een makelaarsopleiding, waarbij werd afgesproken dat de werkgever en gedaagde elk een halve studiedag zouden betalen. Feitelijk bleef het salaris tot december 2001 gebaseerd op 32 uur.
In januari 2002 heeft de werkgever het dienstverband beëindigd en het salaris aangepast naar 28 uur per week. Gedaagde meldde zich ziek en ontving vanaf november 2002 een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa) van 28 uur per week. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het gaa op 32 uur moest worden vastgesteld.
De rechtbank gaf gedaagde gelijk, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad stelde vast dat voor de berekening van het gaa het aantal uren dat gedaagde zonder te werken loon heeft ontvangen (4 uur studie) moet worden opgeteld bij de daadwerkelijk gewerkte uren (24 uur). Daarmee is het gaa van 28 uur per week correct vastgesteld. Ook een eventuele eenzijdige salarisverlaging door de werkgever werd niet aanvaard als grond voor een hoger gaa, mede omdat gedaagde geen loonvordering heeft ingesteld.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Uitkomst: Het gemiddeld aantal arbeidsuren voor de WW-uitkering is terecht vastgesteld op 28 uur per week.