ECLI:NL:CRVB:2005:AU0520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1617 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen boetenota is niet-ontvankelijk, bezwaar richt zich op boetebesluit

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle. In geschil stond of een boetenota een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar mogelijk is.

Appellant legde aan gedaagde een boete op wegens het niet tijdig inzenden van jaarloonopgaven en stuurde een boetenota ter betaling. Gedaagde maakte bezwaar tegen de boetenota en het boetebesluit. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de boetenota niet-ontvankelijk, maar oordeelde dat appellant gedaagde ten onrechte niet de gelegenheid had gegeven het boetebesluit te overleggen, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren onjuist was.

De Raad bevestigt dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro en dat bezwaar tegen de nota niet mogelijk is. Echter, het bezwaarschrift richtte zich ook tegen het boetebesluit, zodat appellant gedaagde niet had mogen weigeren het bezwaar in behandeling te nemen. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde en bevestigt de uitspraak van de rechtbank op andere gronden.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de boetenota geen besluit is en dat het bezwaar zich richtte op het boetebesluit, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren onterecht was.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/1617 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,
en
[gedaagde]., gevestigd te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 8 maart 2004 onder kenmerk 03/998 door de rechtbank Zwolle gewezen uitspraak.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juni 2005, waar namens appellant is verschenen mr. J.A. Buur, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 31 maart 2003 is aan gedaagde een boete opgelegd over het jaar 2002 ten bedrage van € 2.269,-- wegens het niet (tijdig) inzenden van de jaarloonopgaven. Op 1 april 2003 is de boetenota verzonden met het verzoek om te betalen.
Bij besluit van 23 juni 2003 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen de boetenota niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat deze niet op rechtsgevolg is gericht.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit 23 juni 2003 gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. Appellant heeft evenwel een risico voor misverstanden geschapen door op de achterkant van de boetenota uitvoering de mogelijkheid te schetsen om bezwaar te maken tegen de nota, terwijl in het boetebesluit in een bijzin is vermeld ‘…niet zoals op de achterzijde van de nog te ontvangen nota staat vermeld..’, en bovendien het boetebesluit en de boetenota slechts met één dag verschil zijn verzonden. Het gaat de rechtbank dan ook te ver om van gedaagde te vergen dat zij zich voor een tweede keer tot appellant zou moeten wenden met een bezwaarschrift. De rechtbank is van oordeel dat nu het onmiskenbaar de bedoeling van gedaagde was om bezwaar te maken tegen het opleggen van een boete, appellant gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 6:6 van Pro de Awb de gelegenheid had moeten geven om alsnog het boetebesluit over te leggen. Deze gelegenheid is gedaagde niet geboden en het stond appellant dan ook niet vrij om het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk te verklaren.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak van de rechtban gekeerd.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat. Voorts is de Raad van oordeel dat het bezwaarschrift van gedaagde gelet op de inhoud en strekking ervan zich richtte tegen zowel de boetenota als het boetebesluit. De aangevallen uitspraak komt dan ook, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht tot slot termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde van € 322,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van
€ 414,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.