ECLI:NL:CRVB:2005:AT9927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht tussen vennootschap en voormalig aandeelhouder
Appellante, een onderneming in kunststofproducten, was tot eind 2001 voor 80% in handen van betrokkene, die tevens enig aandeelhouder was van een besloten vennootschap. Vanaf 1 januari 2002 werd een managementovereenkomst gesloten tussen appellante en deze besloten vennootschap, waarbij laatstgenoemde statutair directeur werd. Gedaagde stelde op basis van een rapport vast dat betrokkene zijn werkzaamheden verrichtte in een privaatrechtelijke dienstbetrekking en nam hem vanaf die datum onder de sociale verzekeringsplicht.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat er geen sprake was van een dienstbetrekking, maar de rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig waren: persoonlijke arbeidsverrichting, loonbetalingsverplichting en gezagsverhouding. De Raad benadrukte dat de kwalificatie door partijen niet doorslaggevend is, maar dat alle feiten en omstandigheden relevant zijn.
De Raad wees erop dat betrokkene persoonlijk werkte, een reële beloning ontving en onder toezicht stond van de Raad van Commissarissen en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders. De formele wijziging per 1 januari 2002 veranderde niet wezenlijk aan de feitelijke arbeidsverhouding. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat tussen appellante en betrokkene een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond met verzekeringsplicht.