ECLI:NL:CRVB:2005:AT9853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Loondoorbetalingssanctie wegens reïntegratieverplichting tweede spoor niet terecht opgelegd
Deze zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Breda over de reïntegratieverplichting van een werkgever jegens een arbeidsongeschikte werknemer. De werknemer, uitgevallen sinds juni 2002, had een WAO-aanvraag ingediend met een reïntegratieverslag. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de werkgever onvoldoende had meegewerkt aan reïntegratie in het tweede spoor, wat leidde tot een sanctie van loondoorbetaling.
De Raad onderzocht of de werkgever op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) en de Regeling SUWI daadwerkelijk verantwoordelijk was voor de reïntegratie in het tweede spoor. Volgens de geldende regelgeving per 1 januari 2002 ligt deze verantwoordelijkheid bij de werkgever, tenzij de werknemer vóór 1 januari 2003 arbeidsongeschikt werd, dan rust die taak in principe bij het UWV.
De Raad oordeelde dat de werkgever geen wettelijke verplichting had geschonden door het reïntegratieverslag pas bij de WAO-aanvraag in te dienen. De loondoorbetalingssanctie was daarom onterecht opgelegd. De uitspraak van de rechtbank Breda werd bevestigd en het bestreden besluit vernietigd. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De loondoorbetalingssanctie is onterecht opgelegd omdat de werkgever geen reïntegratieverplichting in het tweede spoor had voor een werknemer die vóór 1 januari 2003 arbeidsongeschikt werd.