ECLI:NL:CRVB:2005:AT9768

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3489 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16d CSVArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaalde premies werknemersverzekeringen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur

Appellant werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gelaten premies werknemersverzekeringen en een boete van €99.428,72 vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur van de vennootschap waarvan hij bestuurder was.

Appellant voerde aan dat hij niet langer bestuurder was en geen kennis kon nemen van de meldingsplichtbrieven, maar de Raad oordeelde dat hij bestuurder was ten tijde van de betalingsonmacht en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het niet melden van betalingsonmacht niet aan hem te wijten was.

De Raad stelde vast dat de administratie van de vennootschap zeer rommelig was en dat appellant zich nauwelijks met het administratieve gedeelte bezighield, terwijl de brieven op zijn privé-adres waren verzonden. Daarom werd de aansprakelijkheid bevestigd en werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant voor onbetaalde premies en boete wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Uitspraak

04/3489 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 29 juni 2004 heeft mr. L.C. Blok, advocaat te Katwijk, als gemachtigde van appellant op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Gravenhage op 17 mei 2004, nummer 03/587, tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 mei 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 april 2002 heeft gedaagde appellant op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [naam vennootschap] (hierna: de vennootschap) onbetaald gelaten premies werknemersverzekeringen en boete tot een bedrag van € 99.428,72. Gedaagde heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan hem te wijten is dat de vennootschap heeft verzuimd haar betalingsonmacht aan gedaagde te melden, zodat sprake is van een wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Voorts heeft gedaagde gesteld, indien ervan uit gegaan zou moeten worden dat appellant wel aannemelijk zou hebben gemaakt dat de schending van de meldingsplicht niet aan hem te wijten is, dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet betalen van de premies niet het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Gedaagde heeft zijn besluit na bezwaar van appellant gehandhaafd bij besluit van 30 december 2002. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij niet langer bestuurder van de vennootschap was en - zo begrijpt de Raad appellants stellingen - niet kon beschikken over de aan de vennootschap verzonden stukken, daarbij met name doelend op gedaagdes brieven van 10 juli 2000 en 14 augustus 2000 waarbij gedaagde heeft gewezen op de hiervoor bedoelde meldingsplicht.
De Raad overweegt als volgt.
Uit het zich onder de gedingstukken bevindende uittreksel uit het handelsregister blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat appellant van 18 april 1994 tot 1 november 2000, mitsdien ten tijde van het intreden van de betalingsonmacht, bestuurder van de vennootschap was. Voorts staat vast dat geen melding van betalingsonmacht heeft plaatsgevonden. De Raad ziet in appellants niet met verifieerbare gegevens onderbouwde stelling, dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van gedaagdes brieven, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de schending van de meldingsplicht niet aan appellant zou zijn te wijten. In dit verband acht de Raad relevant dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant zich niet of nauwelijks met het administratieve gedeelte van het besturen van de vennootschap heeft beziggehouden en dat sprake was van een zeer rommelige administratie van de vennootschap. Voorts is van belang dat het betreft een drietal aan het door appellant in privé gehuurde bedrijfsadres, tevens zijn woonadres, op uiteenlopende data verzonden brieven.
Gelet op het voorgaande heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht met toepassing van artikel 16d, vierde lid, van de CSV appellant aansprakelijk gesteld. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen- Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M. Renden.