ECLI:NL:CRVB:2005:AT9737

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5753 NABW + 03/5754 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbArt. 4:5 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling laten bijstandsaanvraag wegens ontbreken recente bankafschriften

Appellanten dienden op 22 januari 2002 een aanvraag om bijstand in bij het College van burgemeester en wethouders van Utrecht. Deze aanvraag werd op 26 februari 2002 buiten behandeling gelaten omdat appellanten niet vóór 21 februari 2002 de gevraagde recente afschriften van hun Marokkaanse bankrekening hadden overgelegd.

Gedaagde had appellanten op 6 februari 2002 schriftelijk in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen met de bankafschriften, met de waarschuwing dat bij niet tijdige aanlevering de aanvraag niet verder behandeld zou worden. Appellanten hadden ook eerder op 24 januari 2002 een lijst ontvangen waarop stond dat bankafschriften van de laatste drie maanden moesten worden overgelegd.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, en in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad oordeelt dat de gevraagde bankafschriften essentieel zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet over deze gegevens konden beschikken.

Ook een door appellanten overgelegde brief van de bank, die een historisch overzicht tot 30 september 2001 bevatte, bood onvoldoende inzicht in de transacties. De Raad concludeert dat gedaagde terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gelaten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de aanvraag om bijstand buiten behandeling mocht worden gelaten wegens het niet tijdig overleggen van recente bankafschriften.

Uitspraak

03/5753 NABW + 03/5754 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 oktober 2003, reg.nr. SBR 02/2126.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 juni 2005, waar appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Barwegen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten hebben op 22 januari 2002 bij gedaagde een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet ingediend. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 26 februari 2002 waarbij gedaagde de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gelaten op de grond
dat appellanten niet vóór 21 februari 2002 recente afschriften van hun Marokkaanse bankrekening hebben overgelegd.
Bij besluit van 21 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 21 augustus 2002 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Gedaagde heeft appellanten bij brief van 6 februari 2002 in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen door vóór
21 februari 2002 de afschriften van hun Marokkaanse bankrekening in te leveren. Daarbij is aangegeven dat indien de gevraagde gegevens niet of te laat worden verstrekt de aanvraag niet verder kan worden behandeld. Voorafgaand aan deze brief heeft gedaagde appellanten reeds op 24 januari 2002 een "boodschappenlijst Abw" verstrekt, waarop is aangegeven dat de bankafschriften van de laatste drie maanden moeten worden overgelegd.
De Raad stelt vast dat appellanten de gevraagde bankafschriften van de Marokkaanse rekening niet vóór 21 februari 2002 hebben overgelegd. Nu deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en appellanten ook niet binnen de geboden termijn hebben aangegeven redelijkerwijs niet over de gevraagde gegevens te kunnen beschikken, was gedaagde bevoegd de aanvraag verder buiten behandeling te laten.
Gedaagde heeft zich naar het oordeel van de Raad voorts terecht op het standpunt gesteld dat met de door appellanten overgelegde op 17 januari 2002 gedateerde brief van de "Banque Populaire" het noodzakelijke inzicht in de transacties op de betreffende bankrekening niet is gegeven, reeds omdat slechts sprake is van een historisch overzicht tot 30 september 2001.
Nu ook overigens niet is gebleken dat gedaagde niet in redelijkheid had kunnen komen tot het besluit de aanvraag van appellanten niet te behandelen, kan het hoger beroep niet slagen en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.