ECLI:NL:CRVB:2005:AT9728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid voor arbeid na ziekte en weigering ziekengeld
Appellante, voormalig medewerkster huishoudelijke dienst, viel in 1996 uit wegens rugklachten en ontving een uitkering op grond van de Ziektewet. Na een medische beoordeling in januari 2002 werd geconcludeerd dat zij geschikt was voor gangbare arbeid, waaronder vijf specifieke functies die in het kader van de WAO waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren onderschat, dat zij ongeschikt was voor de geselecteerde functies en dat onvoldoende medisch onderzoek had plaatsgevonden. De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde na de maximale ziekengeldtermijn geschikt is voor ten minste één van de WAO-functies.
De Raad concludeerde dat appellante geschikt is voor ten minste één van de functies, met name die van wikkelaar (transformatoren), en dat het besluit tot beëindiging van het ziekengeld terecht is genomen. De medische stukken van appellante boden geen aanleiding tot een ander oordeel en een nader deskundigenonderzoek was niet nodig.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 21 januari 2002 geschikt is voor ten minste één van vijf functies en daarom geen recht meer heeft op ziekengeld.