ECLI:NL:CRVB:2005:AT9596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na TBA-herbeoordeling bij arbeidsongeschiktheid onder 15%
Appellant, met een aangeboren spastische paraparese, ontving sinds 1990 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een TBA-herbeoordeling in 1999, waarbij appellant medisch en arbeidskundig werd onderzocht, werd vastgesteld dat hij geschikt was voor eenvoudig zittend werk met beperkingen in lopen en staan. Hierdoor werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%, wat leidde tot intrekking van zijn WAO-uitkering per 1 juli 2000.
Appellant voerde aan dat zijn medische situatie sinds 1990 niet was veranderd en dat hij vanwege heupproblemen niet langdurig zittend kon werken. Hij overlegde neurologische rapporten uit eerdere jaren ter onderbouwing. De Raad oordeelde echter dat deze rapporten geen actuele medische beperkingen voor de datum in geding konden aantonen en dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had vastgesteld.
De Raad concludeerde dat de vermindering van de arbeidsongeschiktheid niet te wijten was aan een verandering in medische toestand, maar aan de arbeidskundige beoordeling die voldoende passende functies vond voor appellant. De intrekking van de WAO-uitkering werd daarom bevestigd, en een vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellant per 1 juli 2000 wordt bevestigd.