ECLI:NL:CRVB:2005:AT9487

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5120 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 22 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens niet tijdig betalen griffierecht

Opposant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen, maar betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijn. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Vervolgens diende opposant een verzetschrift in zonder motivering.

De Raad gaf opposant meerdere kansen om de verzetsgronden alsnog in te dienen, maar opposant liet deze termijnen ongebruikt voorbijgaan. Op grond hiervan oordeelde de Raad dat het verzet niet-ontvankelijk moest worden verklaard volgens artikel 8:55, vijfde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad zag geen reden om opposant te veroordelen in de proceskosten en sprak het vonnis uit in aanwezigheid van de griffier. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige betaling van griffierechten en het indienen van gemotiveerde verzetsgronden.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht en het ontbreken van verzetsgronden.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5120 NABW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 8 maart 2005 is het door opposant ingestelde hoger beroep, reg.nr. 03/966 NABW, tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 oktober 2004 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak van de Raad heeft opposant bij brief van 10 maart 2005 een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 28 juni 2005, waar partijen – zoals tevoren bericht – niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 8 maart 2005 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 102,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 2 november 2004 gestelde termijn is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
Het ingediende verzetschrift bevat echter geen gronden.
Bij schrijven van 16 maart 2005 is opposant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Hij heeft deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Bij aangetekend schrijven van 18 april 2005 is aan opposant nogmaals de gelegenheid geboden de verzetsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van twee weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet - ontvankelijkverklaring van het verzet kan leiden.
Opposant heeft ook deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Gelet op het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid onder a, van de Awb niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) T. Hemelrijk-van den Oudenalder.